Als je benieuwd bent naar de mogelijkheden neem dan een kijkje op deze online module.
Insulinepomp
176 eenheden, wat voldoet aan de behoefte van het merendeel van de patiënten die dagelijks maximaal 50 eenheden gebruiken. De MiniMed Paradigm Model 554 insulinepomp heeft het kleine formaat insulinepomp dat de mensen willen, gecombineerd met een formaat reservoir dat de meeste mensen nodig hebben. De MiniMed Paradigm 754 insulinepomp heeft een maximum capaciteit van 300 eenheden insuline; daarnaast kunt u ook één van de twee reservoirs van de MiniMed Paradigm gebruiken -- het 1,76 ml (MMT-326A) of het 3,0 ml (MMT-332A) reservoir.
Onthoud: De insulinebehoefte kan na verloop van tijd wijzigen, met name tijdens een zwangerschap en in de puberteit. Om die reden wordt u geadviseerd deze keuze met uw professionele zorgverlener te bespreken.
We hebben de MiniMed Paradigm 754 insulinepomp ontwikkeld voor patiënten die meer insuline gebruiken of die voorzien dat zij meer insuline moeten gebruiken - om precies te zijn, meer dan 50 eenheden per dag. De MiniMed Paradigm 754 insulinepomp heeft een maximum capaciteit van 300 eenheden insuline; daarnaast kunt u ook één van de
2 reservoirs van de MiniMed Paradigm gebruiken -- het 1,76 ml (MMT-326A) of het 3,0 ml (MMT-332A) reservoir. Dus als u veranderingen in uw leven voorziet, zoals een zwangerschap of puberteit, zult u het gemak van het vergroten of verkleinen van het reservoir waarderen. Als u momenteel dagelijks meer dan 50 eenheden gebruikt, kunt u de MiniMed Paradigm 754 overwegen vanwege de grotere capaciteit van het reservoir.
In de MiniMed Paradigm 554 insulinepomp kan het reservoir van 1,76 ml worden geplaatst, goed voor 176 eenheden insuline. Deze pomp is ideaal voor diegenen die minder dan 50 eenheden insuline per dag nodig gebruiken. Het is ook de beste keuze voor diegenen die de maximale discretie willen die het kleinere, lichtere lid uit de MiniMed Paradigm-familie van insulinepompen biedt.
U hoeft niet zonder pomp op uw vakantieadres te verblijven. Let er wel op dat u dit minimaal 3 weken voor vertrek bij ons aanvraagt.
Alarmen
Tussen de hoge en lage glucosealarmen moet minimaal 0,6 mmol/l zitten. Als u uw bovengrens voor glucose op 5,6 mmol/l instelt, kunt u uw ondergrens glucose niet hoger instellen dan 4,9 mmol/l. Omgekeerd, als u uw ondergrens voor glucose op 2,8 mmol/l instelt, kunt u uw bovengrens glucose niet lager instellen dan 3,3 mmol/l.
U kunt bijvoorbeeld uw hoge en lage alarmdrempelwaarden aanpassen tot waarden die beter bij u passen. Daarnaast kunt u het alarm voor een "hoge glucoseconcentratie" uitschakelen als u weet dat uw waarde zal stijgen. Een ander voorbeeld is het aanpassen van de tijdsduur van het "alarm uitstellen" zodat u minder herinneringen krijgt. Andere waarschuwingen kunnen worden voorkomen door te handelen voordat ze optreden, zoals regelmatig kalibreren en uw zender binnen twee meter van de insulinepomp houden, zodat de synchronisatie niet verloren gaat.
U zult nog steeds alarmen krijgen, maar het is belangrijk te weten dat elk alarm een belangrijke betekenis heeft. U moet het aantal en soort waarschuwingen bijhouden, zodat u uw instellingen kunt aanpassen en uw behandeling kunt optimaliseren.
Als het nieuwe meterresultaat nog steeds erg verschilt van het CGM-resultaat, moet de sensor mogelijk worden vervangen. Als dit het geval is, toont het systeem een tweede
KAL.-FOUT-bericht, gevolgd door het bericht "SENSOR EINDE". Als dit gebeurt, moet de sensor worden vervangen.
Om signalen te kunnen ontvangen, moeten uw zender en insulinepomp zich binnen twee meter van elkaar bevinden. Wordt deze marge overschreden, dan gaat het signaal mogelijk verloren. Een enkele keer kunnen bepaalde apparaten, zoals mobiele telefoons, draadloze telefoons, draadloze netwerken, televisies en radio's, het zendersignaal verstoren. Als het signaal gedurende 45 minuten volledig weg is, krijgt u het bericht GN SIGN SENSOR.
Kalibratie
Het is belangrijk dat u kalibreert op een moment dat de bloedglucosespiegel niet snel verandert (glucose is bijvoorbeeld stabieler voorafgaand aan een maaltijd). Na een maaltijd zal de bloedglucosespiegel waarschijnlijk snel veranderen als compensatie voor de maaltijd).
Glucosesensoren
Na ontvangst moet u de glucosesensoren bewaren bij een temperatuur tussen de
2˚ en 27˚
Bedenk wel dat ondanks ons advies om de glucosesensoren in de koelkast te bewaren, de sensoren wel verschillende temperaturen kunnen overleven. Daarentegen mogen glucosesensoren ook niet worden ingevroren.Voordat u de glucosesensor gaat inbrengen, moet u de sensor op kamertemperatuur laten komen (dit kan ongeveer 15 minuten duren).
Andere vragen
De zender start met zenden zodra er een sensor wordt aangesloten. De zender zal zelfs zenden als de continue-glucosemonitoringfunctie (CGM) op de insulinepomp is uitgeschakeld. De patiënt moet de glucosesensor letterlijk loskoppelen van de zender. Desgewenst kan de glucosesensor in de huid ingebracht blijven.